DJHS 3: De waarheid en vanille-ijsjes

Een van de eerste scènes die ik schreef voor De jongen, het stof speelt zich af in het kleine dorp ‘X’ vlakbij Aleppo. Ik had op het moment van schrijven nog geen diepgravend onderzoek gedaan naar Syriëgangers of de situatie in het Midden-Oosten. Ik had nog geen blik geworpen op Google Maps en de Wikipediapagina van Syrië alleen vluchtig bekeken, maar ik besloot gewoon vanuit mijn fantasie te beginnen met schrijven. Wat daaruit volgde was een korte scène waarin de hoofdpersoon in de laadback van een Pick-up de Turks-Syrische grens over wordt gesmokkeld. Als hij uitstapt en zijn ogen aan het licht zijn gewend, kijkt hij uit over een eindeloos woestijnlandschap dat niet zou misstaan in een Disneyfilm en als ik het stuk teruglees zie ik dat ik boven alles de lezer ervan probeer te overtuigen dat hij het on-ge-loof-lijk warm heeft.

Het duurde niet lang voordat ik ontmoedigd raakte. Alles wat ik in die eerste weken op intuïtie schreef, bleek grotendeels niet te kloppen. Althans het klopte in mijn hoofd, of in de lijn van het verhaal, maar het klopte niet met de realiteit. De meest basale zaken als het weer (in het binnenland van Syrië is het zelden 40 graden en het regent er ook gewoon) of de omgeving (de woestijn moest ik al gauw inruilen voor gras en een meer rotsachtig landschap) waren met een beetje digitaal speurwerk zo op te lossen, maar naarmate de tijd verstreek leken er steeds meer onderwerpen bij te komen waar ik het fijne van moest weten voordat ik kon beginnen met schrijven. Dat gold voor de radicaliseringsprocessen van de jongens die ik voor ogen had, de wijken waarin ze opgroeiden, de websites en fora die ze bezochten, de beginselen van het fundamentele geloof dat hen zo aansprak, maar het gold misschien nog wel veel meer voor het leven ‘daar’.

Ik kwam er al gauw achter dat een Westerse Syriëganger echt niet acht uur in de laadbak van een truck moet liggen om Aleppo te bereiken. Er zijn ‘reisbureaus’ die een harstikke comfortabele overtocht voor je kunnen uitstippelen. De meest gangbare route loopt via de Turkse stad Gaziantep, waar je na een hotelovernachting door een taxi wordt opgepikt. De meeste Syriëgangers gaan te voet de grens over, de Turkse soldaten die daar wacht houden staan erom bekend een oogje dicht te knijpen. Maar dan: hoe ziet het leven van een Syriëganger eruit als hij zijn broeders eenmaal gevonden heeft? Wat eten ze? Waar wonen ze? Is er Wifi? Gaat iedereen naar een trainingskamp en wat leer je daar dan? Enzovoorts, enzovoorts.

Na de ontmoediging raakte ik bevlogen door het gevoel dat alles wat ik opschreef vooral moest ‘kloppen’, dat mijn verzonnen hoofdpersoon en de weg die hij aflegt alleen maar zeggingskracht zouden hebben als de omstandigheden waarin hij verzeild raakte controleerbaar ‘waar’ zouden zijn. U begrijpt al dat ik er gauw achter kwam dat zoiets onmogelijk is en dat het bovendien al het gras voor de voeten van de fictie wegmaait: op die manier kun je alleen maar een reconstructie schrijven van iets dat ook daadwerkelijk is gebeurd. Welke balans moest ik aanhouden tussen de informatie die ik verzamelde en de jongen die in mijn hoofd steeds meer gestalten kreeg en kon ik de waarheid tegenspreken zonder dat dat consequenties had voor de geloofwaardigheid van mijn verhaal?

Mei 2014 las ik Geronimo van Leon de Winter. De roman heeft als uitgangspunt dat Osama bin Laden niet is gedood bij de militaire operatie in mei 2011, maar vervangen door een dubbelganger en nog een tijdje in het geheim gevangen is gehouden. Waarom doet er nu even niet toe en het feit dat ik deze if-history matig vond ook niet (voor wie nieuwsgierig is: de bezwaren bracht Rob Schouten perfect onder woorden in zijn recensie in Trouw). Het gaat me om de details en meer specifiek om vanille-ijsjes.
Namelijk: in het geweld van alle complottheorieën die De Winter aan de dag legt, alle politieke en historische verwikkelingen die hij geloofwaardig probeert te maken, het ‘zou-het-dan-toch’-gevoel dat hij aan de lezer probeert op te dringen is er één, klein verhaalontwikkelingetje dat voor de volle honderd procent overeind blijft: Osama bin Laden die ’s nachts op een brommertje zijn schuilplaats Abbottabad verlaat om vermomd bij een nachtwinkel vanille-ijsjes te kopen. Het is het feit waarvan ik het zekerst weet dat het niet echt is gebeurd, maar het beeld kan ik me zo helder voorstellen dat ik het onmiddellijk geloof binnen de context van het verhaal en het er dus ook niet meer toe doet of het in de realiteit stand zou houden.

De vanille-ijsjes brachten de volgende omkering teweeg: ik begreep dat ik me niet langer moest laten beperken door alle informatie die ik tegenkwam, alle boeken en analyses die over de verschillende onderwerpen waren geschreven, alle films die erover waren gemaakt, maar dat ik al die informatie juist vóór me kon laten werken. En dat ik me daarbij niet moest focussen op de grote ontwikkelingen, op de mijlpalen en het heen-en-weer-veroveren van stukjes land, maar op de details. Ik begreep ook dat ik er niet per se heen hoefde om dit verhaal te kunnen schrijven (iets wat ik sowieso niet had gedaan, het ontbrak me aan geld en aan moed), maar dat ik juist gebruik kon maken van het feit dat ik niet wist hoe het rook in de versgebombardeerde straten van Aleppo, dat ik de getuigenissen van jongens die teleurgesteld terug zijn gekomen zelf kon invullen en dat ik me daarbij zoveel vrijheid kon veroorloven als ik zelf wilde, omdat de geloofwaardigheid van een verhaal niet wordt bepaald door zijn relatie met de realiteit, maar door de kracht van zijn eigen fictieve werkelijkheid . Niemand vraagt naar de waarheid, als er geen reden is om aan de leugen te twijfelen. Ik begreep dat ik op zoek moest gaan naar mijn eigen vanille-ijsjes.