DJHS 1: De aanleiding en hoe ik haar over het hoofd zag

Op zaterdag 24 mei 2014, om drie voor half vier ’s middags, stapt de dan negenentwintigjarige Mehdi Nemmouche het Joods Museum aan de Minimenstraat in Brussel binnen. Hij draagt een felblauw sportjasje, een donkere joggingbroek, zwarte sneakers en een Nike-petje. Ook heeft hij een grote, zwarte sporttas bij zich waar hij bij binnenkomst een revolver uithaalt. Hij richt en schiet op Emanuel en Miriam Riva, twee Israëlische toeristen van middelbare leeftijd die de folders in de entréehal staan te bekijken. Ze zijn op slag dood.
Vervolgens loopt Mehdi verder richting receptie. Op de schokkerige bewakingsbeelden is te zien hoe hij zijn tas op de grond neerzet, hem openritst en er een kalasjnikov uithaalt. Hij schiet en raakt de vrijwilligster Dominique Sabrier, ook zij is op slag dood. De vijfentwintigjarige PR-medewerker Alexander Strens heeft zich in de tussentijd onder de balie verstopt, maar wordt toch geraakt. Nemmouche laat hem in kritieke toestand achter, bergt zijn wapen op, ritst de tas weer dicht en verlaat met versnelde pas het museum.

Toen dit gebeurde, was ik in Brussel. Sterker nog, het hostel waar ik overnachtte lag op nog geen 400 meter afstand van de Minimenstraat. De politie kamde direct het hele gebied uit, maar daar heb ik niets van gemerkt. Pas toen ik de Nederlandse grens over was, mijn 3G aanzette en het nieuws bekeek, zag ik wat er zich had afgespeeld. De bewakingsbeelden waren toen al vrijgegeven, maar de dader was nog niet gepakt.

Bij het woord aanslag dacht ik op dat moment nog vooral aan verre landen waar auto’s met explosieven winkelcentra, marktpleinen en legerposten inrijden. Natuurlijk dacht ik ook aan het WTC, maar aanslagen in Europa kon ik me veel moeilijker herinneren. De schietpartij van Breivik op Utøya stond me misschien nog het helderst voor de geest, maar voor de rest had ik toch echt de Wiki-lijst nodig. Toen ik die doorscrollde herinnerde ik me vaag de nieuwsberichten bij de gebeurtenissen, en ook dat ik het heel erg en schokkend had gevonden, maar ik herinnerde me vooral dat die feiten toen niet direct hadden ingegrepen in mijn dagelijks leven.
‘Het komt nu ineens wel heel dichtbij,’ was de eerste gedachte die ik had toen ik in de trein terug naar huis op de berichten over de Brusselse aanslag stuitte. Die gedachte probeerde ik onmiddellijk van me af te schudden. Door een toevallige samenloop van omstandigheden was ik geografisch gezien dichtbij een plek geweest waar iets verschrikkelijks gebeurd was, maar dat betekende nog niet dat ik er op wat voor manier dan ook onderdeel van uitmaakte.

Het bizarre gegeven dat deze aanslag zowat onder mijn neus had plaatsgevonden en ik hem niet had opgemerkt, leidde ertoe dat ik de berichtgeving rondom de gebeurtenis met bovenmatige interesse begon te volgen. In die eerste dagen spraken regeringsleiders van over de hele wereld hun afschuw uit over de terreurdaad. Voor het Joods Museum ontstond een bloemenzee, er werd getreurd en gebeden en hoewel de politie nog in het duister tastte over de toedracht, werd er in de publieke opinie al volop richting de moslim-extremistische hoek gewezen. De eerste complottheorieën staken de kop op en synagogen en Joodse instellingen in heel België werden door militairen bewaakt.

Vrijdag 30 mei 2014, een doorbraak. Douaniers voeren op het busstation Saint-Charles in Marseille een routinecontrole uit op een Eurolijnbus die vertrok vanuit Amsterdam en een tussenstop maakte in Brussel. Dit traject staat bekend als een belangrijke drugsroute voor smokkelaars richting Algerije. Een van de douaniers begint met de paspoortencontrole, vraagt de jongen op de voorste bank naar zijn I.D. en ziet dan plots een pistool uit zijn jaszak steken. De jongen wordt zonder veel tegenstand uit de bus gehaald en van zijn wapen ontdaan.
Bij het doorzoeken van zijn bagage vinden ze een kalasjnikov en een Nike-petje, maar ook een GoPro-camera en meer dan 300 kogels voor beide wapens. Dit alles is gewikkeld in een wit laken, waarop met textielpen scheve en vlekkerige, Arabische letters zijn getekend. De tekst blijkt een verwijzing te zijn naar de Islamic State of Iraq and the Levant, kortweg ISIS. De jongen is Mehdi Nemmouche, een jonge Fransman die al eerder vastzat voor onder andere de overval op een supermarkt en rijden zonder rijbewijs.

Na de arrestatie van Nemmouche werd er in korte tijd een hoop informatie vrijgegeven. Ik volgde de berichtgeving op de voet via kranten, televisie, maar voornamelijk via buitenlandse media op internet. Voorzichtig begon ik met het verzamelen van feiten en al gauw had ik een redelijk gedetailleerd beeld van de jongen.
Mehdi Nemmouche groeide op in een achterbuurt van de industriestad Roubaix, had een moeder met psychische problemen, werd ondergebracht in een pleeggezin en woonde daarna bij zijn oma. Zijn vader was al vroeg uit beeld. Hij was een jeugddelinquent, zat gedurende zijn puberteit en als twintiger af en aan vast en bekeerde en radicaliseerde naar verluidt in de gevangenis. Na een lange gevangenisstraf vloog hij op oudejaarsdag 2012 via Brussel, Londen, Beiroet en Istanbul naar Syrië om zich aan te sluiten bij ISIS.

In Syrië volgde een trainingskamp en werd Nemmouche uiteindelijk te werk gesteld bij een gevangenis in de buurt van Aleppo. In september 2014 hield de Franse journalist Nicolas Hénin een persconferentie waarin hij verklaarde Nemmouche te herkennen als een van zijn gevangenisbewaarders in de tien maanden dat hij werd gegijzeld door ISIS. ‘I will do five times Merah,’ zou Nemmouche hebben gezegd toen hij Hénin vertelde over zijn plannen voor een aanslag op Quatorze Juillet, de Franse nationale feestdag. Met die uitspraak verwees Nemmouche naar de reeks aanslagen die Mohammed Merah in 2012 in de omgeving van Toulouse pleegde. Merah opende onder andere het vuur op een Joodse school en schoot op verschillende plekken militairen dood, de politie maakte elf dagen jacht op hem.
Het vermoeden dat Nemmouche Merah als voorbeeld gebruikte was er al eerder. Tijdens de aanslag droeg hij namelijk, net als Merah, een GoPro-camera op zijn borst om zijn daden te filmen. De camera werkte niet.

Hoe meer details en informatie ik te weten kwam, hoe vaker de koude rillingen over mijn rug liepen. Via de zaak Nemmouche raakte ik verzeild in de wereld van de Syriëgangers en de Jihadstrijders. Een wereld waar ik op dat moment nog bijna niets vanaf wist, terwijl er in 2014 al honderden jongens en mannen uit bijna alle Europese landen vertrokken waren. Frankrijk was overigens toen al koploper, in juni 2014 stond de teller op bijna 1000.
Opvallend vond ik dat het vaak ging om jongens die, net als Mehdi, in zeer korte tijd radicaliseerden, niet van huis uit islamitisch waren en absoluut geen voeling hadden bij de historie van het conflict in Syrië. Op internet bekeek ik de propagandafilmpjes waarin ISIS schermde met mooie auto’s en huizen, maar ook met het avontuur van oorlog, een allesoverheersend gevoel van broederschap en niet onbelangrijk: met een fundamentele vorm van gelijk hebben.

Het fascineerde me mateloos, de weg die deze jongens aflegden, hoe ze over werden gehaald en op welk moment en waarom ze rotsvast gingen geloven in idealen die op het eerste oog zo ver van hen af stonden. Ervan uitgaande dat we allemaal afhankelijk zijn van de condities waarin we opgroeien en de omstandigheden waarin we terechtkomen, kan ieder mens uiteindelijk in staat zijn tot een gruwelijke daad. Tot het geloven in en rechtvaardigen van een wrede strijd zoals ISIS, inmiddels IS, die voert en misschien zelfs wel tot een aanslag zoals Mehdi Nemmouche die op 24 mei 2014 pleegde. Maar de keuze van Europese jongeren om af te reizen naar Syrië bleef ondanks die vooronderstelling zo onwaarschijnlijk en ondenkbaar voor mij dat ik wilde weten wat dan eigenlijk het verschil was tussen die jongens en mijzelf. Het werd een onderzoek dat naarmate de maanden verstreken een veel interessantere vraag opleverde, namelijk: wat had ik eigenlijk met hen gemeen?