De auditie

Ik hou ervan als de meisjes huilen.
Niet de zwakke, die geven te gauw op.
Je moet de vechtersbazen hebben,
de meisjes die je kunt knakken.
Meestal zijn dat de knokige, met van dat losse vel.

Ik schreeuw graag in hun gezicht,
hard en zo dichtbij dat hun ogen samenvallen in de ruimte tussen mijn brillenglazen.
Ze proberen hun blik strak te houden als ik,
met de adem onder mijn woorden hun oogbollen droog blaas.

Het gekke is:
ze komen altijd zelfverzekerd komen ze de vloer op,
gehuld in een vreemde regenjas met grote knopen waarvan ze op de kostuumzolder nog dachten dat het van hen de meest gedenkwaardige Klytaimnestra zou maken.
Na de tweede zin van hun monoloog onderbreek ik ze om mijn eigen monoloog te beginnen.
En als ik ze hun tranen zie verbijten,
de handjes tot vuisten geklemd,
dan tik ik met de knokkels van mijn rechterhand op de kaart aan de muur,
en vraag ik ze tussen mijn tanden door of ze überhaupt wel weten waar Troje ligt.

In de stilte die volgt, komen de tranen vanzelf.
Daar hoef ik verder niets meer voor te doen. 


De auditie werd gepubliceerd in literair tijdschrift Voortuin Magazine