TAPE

TAPE werd geschreven in opdracht van SLIK Radio, het podcastproject van de Watershed. De audioversie beluister je hier

In het felle schijnsel van de garagelamp ziet Maarten dat het kind slordig is aangekleed. Het slaapzakje met de mouwtjes zit om het rompje gedraaid en is niet helemaal tot boven dichtgeritst, een blauw rompertje met de opdruk van dansende beren piept eronderuit. Hij bekijkt zijn dochter vanaf de andere kant van het autoraam, het kronkelende lijfje vastgesnoerd in de Maxi-Cosi, haar rimpelige hoofdje dat bij elke uithaal een andere kant opzwiept, er zit ineens kracht in die beentjes. Zelfs na twee uur huilen is ze nog niet eens een beetje uitgeput.
Hij overweegt het zo te laten. Het kind in de auto en hij erbuiten, een afgesloten blik geluid op de oprit van zijn huis te laten staan en in bed te gaan liggen, maar dat vooruitzicht staat hem net zo tegen. Ook al steekt de paniekerige ademhaling van het kind hem niet aan zoals normaal, de aanvallen komen meestal pas wanneer hij zich ontspant en Eva zal hem ook vannacht niet helpen. Er zit maar een ding op: rijden totdat ze slaapt. Maarten schuift zijn handen onder zijn jas, steekt zijn duimen achter het elastiek van zijn pyjamabroek en trekt hem omhoog. Wanneer hij de autodeur opentrekt, klapt het geluid van een zes maanden oud brok ongenoegen tegen zijn trommelvliezen.

Vanochtend loodste een vrouwelijke arts Maarten door een zoveelste vragenlijst heen voordat ze zei dat hij zijn bovenkleding uit moest trekken. Ze stond achter hem en legde haar warme handen op zijn blote buik. Om haar rechtermiddelvinger droeg ze een klein, gouden ringetje dat hij tegen de haartjes onder zijn navel voelde strijken. Hij had haar contouren heel duidelijk achter zich gevoeld; de ranke schouders, de volle borsten, de bolling van een nog niet zo lang zwangere buik. hij stelde zich voor hoe de arts die handen thuis op de bank op dezelfde manier rond haar navel vouwde en onmiddellijk dook er een stuwende kracht onder zijn middenrif op. Een gemeen diertje baande zich een weg zijn longen door, zijn keel in en zijn mond uit, die hij door de opdringerige ademstoot niet langer gesloten kon houden.
‘Rustig maar,’ zei ze en ze haalde een hand van zijn buik af, legde die op zijn bovenbeen. Maarten had haar lijf tegen zijn rug aan gevoeld en begon onbedaarlijk te huilen, zo hard dat hij ervan overtuigd was dat de vrucht in de buik van de vrouw ineenkromp.

De aanvallen begonnen toen Eva vier maanden zwanger was en verklaarde niet meer aangeraakt te willen worden. Een duidelijke reden werd daar nooit voor aangevoerd. Toen Maarten het googelde vond hij fora vol vaders die eveneens door hun vrouwen gevraagd waren hen met rust te laten. Er werden veel grappen gemaakt over masturberen en naar de hoeren gaan, een enkele keer postte een van de vaders een quasi-serieus hart onder de riem, meestal op een nachtelijk uur: wat je vrouw ook doet of zegt tijdens de zwangerschap, neem het vooral niet te persoonlijk, zwanger zijn gaat vanzelf weer over.
Maarten deed zijn best niets van Eva’s afstandelijke gedrag persoonlijk te nemen, maar het mislukte. Het kind voelde steeds minder van hem, steeds meer van haar alleen. ’s Avonds fluisterde ze tegen het ongeboren kind aan de andere kant van het bed, alsof hij niet mocht horen wat ze te bespreken hadden, alsof hij overbodig was, teveel. Wanneer hij op die avonden eindelijk in slaap viel droomde hij keer op keer dat hij wakker werd in de hotelkamer in Praag waar Eva en hij sliepen tijdens hun eerste vakantie. Zij lag naast hem, overdwars op haar buik op het bed, haar hoofd over de rand. Een meisjeslichaam zoals hij het zich herinnerde – haar billen hoog in de  lucht, haar borsten, platgedrukt tegen het gekreukte wit van het dekbedovertrek waar ze op, in plaats van onder hadden geslapen.
‘Kijk ze werken,’ klonk haar stem van ver. In de droom rolde Maarten zich op zijn zij, kroop over haar heen en drukte daarbij met zijn onderlichaam haar billen naar beneden. Naast het bed, op goedkoop, amandelkleurig laminaat lag een vol, slordig dichtgeknoopt, condoom van de avond daarvoor, met erop en eromheen tientallen krioelende mieren die zich door de plooien van het latex heen probeerden te werken met een ijver die alleen koloniedieren kunnen opbrengen. In zijn droom wist Maarten dat dit geen symbolenspel was van zijn fantasie, maar de reproductie van een herinnering die hem meer van Eva deed houden, omdat die hotelkamer in Praag de eerste plek was geweest waar hij zich haar als moeder had voorgesteld. Maar steeds wanneer hij zich veilig genoeg waande om zich aan die herinnering over te geven, begonnen de mieren te groeien. Ze kropen over de muren en het plafond, maakten een vreemd, hees geluid en begonnen zich te vermeerderen, net zolang totdat ze met genoeg waren om het lichaam van Eva, bewegingsloos en oud ineens, van hem weg te dragen.
Uit die droom werd Maarten altijd wakker in de veronderstelling dat hij doodging. Een onzichtbaar blok beton was op zijn borst beland, zijn longen waren op hol geslagen, alsof hij op een loopband stond die hij niet meer onder controle had, de rotaties te snel om er nog af te kunnen springen. De eerste keer had hij in paniek Eva aangestoten, die zich omdraaide, hem in het donker aankeek en haar armen voor haar buik sloeg, alsof ze zichtzelf en het kind tegen hem moest beschermen. Bij de volgende hyperventilatie-aanval en alle keren daarna sleepte Maarten zich uit bed naar de badkamer, waar hij iedere houding uitprobeerde op de koude tegelvloer totdat zijn lichaam zodanig uitgeput was dat hij niet eens meer de kracht had zich af te vragen wat hem nu precies overkwam.  

Het is drie uur zestien als Eva belt. De baby hikt en hoest haar laatste ontevredenheid weg in iets wat op sluimerslaap lijkt en de telefoon trilt zo hevig tegen het plastic van het dashboard dat de auto voor een kort moment de andere rijbaan op schiet. Maarten voelt onmiddellijk een hevige ademscheut tintelen in zijn neus. Hij kan nu niet bellen. Zijn mond zit dichtgeplakt met een stuk donkerblauwe sporttape.
‘Ik ben aan het rijden. X.’
‘Oké, tot zo. X.’

Naarmate de zwangerschap vorderde, trok Eva zich steeds verder terug totdat ze constant buiten Maartens bereik leek. En waar hij op hoopte gebeurde niet: toen ze eenmaal bevallen was, werden de oude patronen niet opgehaald, maar bleef de nieuwe status quo behouden. Zij en het kind een natuurlijke twee-eenheid, hij alleen, zichzelf aanpratend dat wat hij ook deed – het hoofdje met een klap op de commode bij het verschonen van een luier, klonten melkpoeder in het flesje, het onhandige overgeven van de ingepakte baby aan visite – dat het niet fout was, dat het niets zei over hem als vader. Wanneer hij er met Eva over probeerde te praten zocht ze ostentatief steun bij het kind, dat een schone luier moest, een knuffel, een slaapje of een hapje, of ineens een half uur met Eva moest verdwijnen achter de gesloten deur van de babykamer. Op andere momenten, wanneer Eva tijd voor zichzelf nodig had of wanneer het ‘zijn beurt’ was, liet ze het kind moeiteloos aan hem over.

De paniekaanvallen werden erger, breidden zich uit, verpletterde hem op de meest vreemde momenten als een drukkende middagzon. Toen een collega Peter in het kopieerhok vond, ingeklemd tussen de printer en de papierbak, besloot Peter naar de huisarts te gaan, maar zijn huisarts en alle artsen daarna hadden niets opgelost. Peter vroeg zich af of de vrouw vanochtend iets had opgelost, met haar gouden ringetje, die kleine bolling onder haar doktersjas, de blos hoog op de jukbeenderen die hij herkende van Eva’s ronde zwangerschapsgezicht. Ze had hem simpelweg vastgehouden, niets meer, maar het gewicht dat zijn ribbenkast al maanden onder voortdurende spanning zette was verdwenen en de rest van de dag niet teruggekomen.
Toen hij bedaard was, gaf ze hem de rol blauwe tape, waarmee hij voor het slapen zijn mond af moest plakken. Zo dwong hij zichzelf door zijn neus te ademen, waardoor de kans op hyperventilatie veel kleiner werd.
‘En doordat je ’s nachts je ademhaling reguleert, zul je merken dat je overdag ook veel rustiger bent.’
Hij was haar zo dankbaar geweest dat ze hem niets had gevraagd over Eva, over het kind, dat ze simpelweg die zwangere buik tegen zijn rug aan had gedrukt en hem de behandelkamer uit stuurde met zoiets eenvoudigs als een rol tape.  

Maarten bekijkt zichzelf in de achteruitkijkspiegel en stelt vast dat hij door de blauwe streep over zijn gezicht iets wegheeft van een stripfiguur. Het eerste uur had zijn bovenlip vreselijk gejeukt, maar nu voelt hij niets vreemds, het voelt alsof die tape daar al die tijd had moeten zitten. De schaamte die hem vanochtend overmande toen hij zich zo liet gaan in de kale spreekkamer van de arts heeft plaatsgemaakt voor iets anders, iets krachtigs, op precies dezelfde plek onder zijn middenrif waar zich normaal het dier schuilhoudt.
Thuis aangekomen zet hij het kind nog in de Maxi-Cosi in de babykamer, hij trekt zijn jas uit en legt die ernaast. Eva ligt er precies zo bij als hij haar achterliet, op het nachtkastje knippert het lampje van haar telefoon. Hij kruipt over zijn kant van het bed, pakt haar pols en keert haar aan haar arm naar zich toe. Hij wil iets zeggen. Hij wil zoveel tegen haar zeggen dat het al zijn ingewanden overspoelt, maar als hij het puntje van de tape heeft vastgepakt, klaar om het los te trekken, niet bang voor de pijn, klinkt er gehuil vanaf de overloop. Een aangezwengelde sirene, genadelozer nog dan eerst.
‘Ik ga wel even kijken,’ zegt ze en draait zich om, ‘wat heb jij in godsnaam op je gezicht?'
Hij moet haar vertellen over de hotelkamer in Praag. Over het beest in zijn bloedbanen, de badkamervloer, over die zwangere buik tegen zijn rug, het ringetje, de blos. Over alle keren ‘X’ onderaan een sms.
‘Je had nog een kwartiertje langer weg moeten blijven,’ zegt ze.
Ik had maanden eerder terug moeten komen, denkt hij.
Ze maakt zich los van hem. Haar lichaam glijdt onder de zware dekens vandaan en Maarten kijkt naar haar trotse, rechte schouders, de beweeglijke borsten onder het te grote T-shirt, haar haren, rommelig bijeengebonden. Hij gaat achter haar aan de overloop op, wurmt zich de deur van de babykamer door die ze achter zich wilde sluiten. Hij trekt de tape los en voelt zijn lippen branden.


TAPE werd geschreven in opdracht van SLIK Radio, het podcastproject van de Watershed. De audioversie beluister je hier