BOEKAREST #2

Door het restaurant waar we eten loopt een man in een zwart, ribfluwelen jasje met daaronder een nauwkeurig gestreken overhemd en een rode stropdas. Bij iedere tafel houdt hij halt en praat met de gasten, ook met ons, over kunst, het ontstaan van de Roemeense taal en hoe hij ooit in Amsterdam een horloge van €100 euro kocht. Het bedienend personeel danst om hem heen, neemt bestellingen op, ruimt borden af. Hij doet niets behalve gesprekken beginnen aan nieuwe tafels, en gesprekken hervatten aan tafels waar hij al eerder langs ging. Wanneer we hem vragen hoe lang hij hier al werkt moet hij lachen. Hij werkt bij de gemeente, zegt hij, al ingenieur. Iedere avond komt hij hier, in het restaurant, voor een praatje. 

Wanneer we naar het postkantoor lopen, komen we langs een imposant gebouw waarvan alleen de buitenmuren nog overeind staan. Binnen heeft puin en troep zich opgehoopt tot aan de raamkozijnen. We maken foto's, kijken zwijgend naar het uitgestrekte, glooiende landschap van afval en registreren daardoor pas laat de tientallen spuiten kriskras op het trottoir. We  omzeilen ze omslachtig. Aan het einde van de straat voetballen kinderen met lege blikjes bier. 
De dame van het postkantoor, minimaal 60, in een te strakke, rode polo van de Posta Romana gestoken, spreekt geen woord Engels. Met handen en voeten en de hulp van andere klanten probeer ik haar uit te leggen wat ik nodig heb. Na lang beraad belandt er een postzegel van 4 lei op de envelop. 
De postkantoormevrouw staat in schril contrast met de jonge mensen die ons bedienen in de hipsterplaatsen waar we lunchen en koffie drinken. In perfect Engels verteleln ze ons alles over de smoothies en de halloumi burger van de dag. Een andere generatie, een ander universum. 
Precies tussen die twee generaties in zit Lucian, de directeur van de filmschool waar we te gast zijn. Hij heeft de 'I know everything'-allure van de orthodox-communistische macho, maar is tolerant en vrij zoals je van een kunstenaar verwacht. Ontdooien doet hij echter alleen wanneer zijn hond in de buurt is: Bubu. Ze is nog maar een puppy, maar heeft de omvang van een bescheiden Shetland Pony en achtervolgt haar baasje over. 
Wanneer ik Lucian vertel over het vreemde gebouw en de dame op het postkantoor, moet hij lachen. 
'This is the country where rationally and logically, you can't understand anything. We are still a Dada-country.'

We beginnen de dag met de mededeling dat er een privétoilet voor ons is gereserveerd. 
'Really, that is one of the best things we could do for you.' Zegt Lucian zonder enig spoor van ironie. Daarna volgt een lesje Roemeense filmgeschiedenis. Op de powerpointslide over dit onderwerp staat één woord: poverty. Dat is de hele samenvatting: armoede overal. In thema, in stijl, in productie, in distributie. Het is wat de Roemeense cinema kenmerkt, maar ook groot heeft gemaakt. 
In een van de eerste grote Roemeense films van de revolutie eet een man zeven minuten lang soep in één stilstaand shot. De film werd in het buitenland geroemd om zijn experiment en durf. Wat de buitenlanders niet wisten is dat de man zeven minuten soep eet in één stilstaand shot omdat er geen geld was voor techniek om de scène uit verschillende hoeken te filmen of op een mooie manier te monteren. En dus werd de scène niet meer dan een man die zijn kop soep leeg eet. Zeven minuten lang. De nieuwe generatie filmmakers neemt een voorbeeld aan die 'koude' cinema, of vertrekt naar het buitenland zoals een kwart miljoen Roemenen per jaar doet. Het openen van de grenzen zorgt ervoor dat alle goede werkers weggaan, zeg Lucian, wie over twintig jaar in Boekarest komt kan weleens getuige worden van een heel vreemd sociaal experiment. 

De ochtend brengen we door in een kleine ruimte met gesloten gordijnen, in het blauwe schijnsel van een scherm dat geen inputsignaal heeft. We luisteren naar Lucians verhalen. Wanneer hij wordt gebeld neemt hij midden in de les op, praat luid en opgewonden in de telefoon en vraagt daarna aan ons waar hij was gebleven. 
'How you got into the industrie,' antwoorden wij. Hij knikt bedachtzaam. 

Lucian komt uit een rijke familie. Zijn grootvader had de complete houtdistributie in het zuiden van Roemenië in handen totdat de communisten kwamen. Die schoten hem bijna dood, maar spaarden hem op het nippertje omdat hij joden had beschermd tegen de nazi's. Lucians vader maakte nog net genoeg rijkdom mee om op te groeien tot bohemien. Hij las de Beauvoir en Sartre en ook al wilde de familie dat hij advocaat zou worden, hij ging naar de toneelschool en studeerde voor theaterregisseur. Maar toen de communisten het land overnamen weigerde hij zich bij hen aan te sluiten en werd hij, ondanks zijn talent, een gefaald regisseur voor het leven. Want het maken in de kunst kon je tussen 1950-1989 alleen als je in het bezit was van een partijpas. 
Lucian zelf zat op de filmschool ten tijde van de revolutie in '89. HIi ging daarnaartoe om de mislukte artistieke carriere zijn vader te wreken, maar kwam er al gauw achter dat dat niet zo werkt. Je kunt geen kunst maken vanuit een gevoel van vergelding. 
'Life doesn't begin or end with art. The only duty we have in life is to be happy, and to make others happy. And that we can do by telling stories.'


Van 11 t/m 22 februari 2018 was ik in residentie bij Cinepub/GAV in Boekarest, Roemenië als onderdeel van CELA