Badwater

Als hij het slipje over de kuit van zijn linkerbeen trekt, merkt Casper gelijk dat de opening veel te klein is. Het dunne nylon rekt uit, spant zich om de knokige ronding van zijn knie. De bloemen die op de stof zijn afgebeeld, fuchsia’s gokt hij, worden door zijn spiermassa in de lengte en de breedte uitgetrokken totdat ze niets zachtaardigs meer hebben, eerder lijken op vleesetende planten. Als hij zijn rechterbeen door de andere opening wil steken wankelt hij kort en in een reflex grijpt hij naar het wasrek waar hij het slipje een paar minuten geleden voorzichtig vanaf trok. De knijper hangt er nog, ondersteboven nu. De dunne, witte stangen buigen gevaarlijk ver door onder Caspers gewicht. 

Vijf dagen geleden haalde hij de sleutel van de Airbnb op bij een wat oudere, nerveus ogende buurvrouw. Ze bekeek hem aandachtig, van zijn terugwijkende haargrens tot de uitgedroogde knokkels van zijn handen, de donkerblauwe polo met de opdruk ‘Sportteam LA’ en het litteken op zijn rechterscheenbeen dat hij overhield aan de eerste keer skiën. Haar blik bleef het langst rusten op zijn nieuwe sportschoenen. Hij had ze gekocht op het vliegveld met het oog op de vrije tijd die hij in Barcelona zou hebben na de conferentie. Hij probeerde een donkerblauw model zoals hij er in zijn leven al tientallen versleten had, liep uiteindelijk de winkel uit met een paar felgekleurde Nikes die paste bij de week zoals hij die voor ogen had.   
Al in het halletje, nog nauwelijks over de drempel, voelde hij zich ongemakkelijk. Het appartement, een grote, open ruimte met hoge ramen, was te ongerept om een echt leven te kunnen herbergen. De afwezigheid van rommel, het monotone gezoem van de koelkast, de onderkoelde kleuren van de meubels, de plavuizen - het enige bewijs dat hier mensen woonden was het wasrek, waaraan verschillende kledingstukken, boxers, een spijkerbroek, vier paar enkelsokken, een cocktailjurk en een slipje, zich droog en stijf over de stangen hadden gekromd.
Op de conferentie waren weinig mensen die Casper kende. Dat was niet erg besloot hij, het gaf hem juist meer ruimte om nieuwe mensen te leren kennen. Hij doorliep de conferentiedagen, bezocht een lezing over spatial justice en een panelgesprek met de titel ‘New Urban Structures in the Age of Hyper-Connectivity’, maar het enige programmaonderdeel dat zijn aandacht echt vast wist te houden was de keynote over White Elephants. Enorme bouwprojecten die maar kort in gebruik waren geweest, maar die door het fortuin dat ze hadden gekost niet zo makkelijk gesloopt konden worden. Veel van de witte olifanten waren decennialang genegeerd en verwaarloosd, maar de laatste jaren was de trend ze te herwaarderen. Men deed moeite de gebouwen opnieuw zichtbaar te maken in plaats van ze te verstoppen. Het werden monumenten, kleine tempels die plots opdoken in reisgidsen, arthouse films en megalomane kunstprojecten.
Een extravagante Braziliaan met de klinkende naam Ricardo Rocco loodste zijn publiek twee uur lang door een powerpoint met indrukwekkende foto’s. Het mooiste vond Casper de foto van een Berlijns zwemstadion, gebouwd voor de Olympische Spelen in 1936. De randen van het lege zwembad waren overgroeid met mos, de stalen trappetjes en de springplanken verroest, over het hoge plafond groeide een grauw tapijt van schimmel. De grote, verlate ruimte straalde een enorme schoonheid uit en het was duidelijk dat de fotograaf het verval op die manier had willen vastleggen: met ontzag. Misschien lag het aan de lichtinval die het geheel een gouden gloed gaf, of aan de enorme afmetingen van het doek waarop de foto werd geprojecteerd, maar voor een moment had Casper de helblauwe tegels van het zwembad onder zijn voeten gevoeld. Hij was in de foto verdwenen, het badwater geworden.

Iedere keer dat hij terugkwam in het appartement en de deur achter zich op slot draaide, bleef Casper minutenlang stilstaan in de hal voor een portret van het stel wiens plek hij tijdelijk innam. Twee jonge, knappe mensen die hij zich direct voor kon stellen op de witte chaise longue, de designerstoelen in de keuken. Niet hun kaarsrechte gebitten, hun gebruinde huid of de gaafheid van hun gezichten fascineerde hem, maar de nonchalante trefzekerheid waarmee ze de camera in keken. Hij zag geen spoor van de verlegenheid die hij zelf altijd ervaarde als iemand hem vroeg te poseren, het beklemmende bewustzijn dat iemand dit moment, deze versie van hemzelf verdubbelde. Hij zag een man en een vrouw die het vanzelfsprekend vonden dat mensen een tweede keer naar hen wilden kijken.
In de slaapkamer probeerde hij zich de tweedimensionale figuren van de foto voor te stellen in de kleren die aan het wasrek hingen. Lichamen die zich op onnatuurlijke manieren tussen de spijlen wrongen. Hij raakte het slipje aan, voelde de dunne stof en ging in het midden van het bed liggen om in halfslaap steeds verder richting de linkerbovenhoek te kruipen. Hij voelde zich teveel, of misschien eerder te weinig. Het was alsof hij tussen de bewoners in lag, alsof zij fysiek meer aanwezig waren dan hij, in de ruwe pallets waarop het bed was gebouwd, de symmetrische plaatsing van het meubilair, de foto op de gang, het wasrek.

Na de tweede conferentiedag probeerde hij het op de afsluitende borrel in de hotellobby, maar net als op de daaropvolgende avonden was er geen een gesprek waar hij direct voor uitgenodigd werd. Geen enkele persoon die hij de hand schudde stelde hem een vraag. Op de laatste avond sloot hij na lang tobben aan bij het groepje rondom Ricardo Rocco, maar er was niemand die zijn gestamelde complimenten leek te horen. De choreografie van de groter wordende groep mensen die zich rond de beroemde architect verzamelde, zorgde ervoor dat Casper steeds verder van Rocco af kwam te staan, totdat hij niet meer kon horen waar het gesprek over ging. Hij dacht aan zijn collega Maaike. Op haar bureau stond al jaren een ingelijste foto van haarzelf met Richard Gere, die ze ontmoette op een bootfeestje na een conferentie in Venetië.  

Het wasrek wankelt, Casper laat de stangen los. Met één hand rekt hij het elastiek van het slipje uit, met de andere duwt hij zijn geslacht tussen zijn benen, zover als hij kan. Het is te weinig stof om alles te verhullen, kleine krulletjes schaamhaar steken aan alle kanten uit, een zoom van bont die minstens even groot is als het onderbroekje zelf. 
Hij kijkt naar zijn kleren op de vierkante plavuizen. De pantalon waar de afdrukken van zijn knieën nog instaan, het overhemd dat hij vanochtend met zoveel zorg gestreken heeft. Hij laat zijn kleren liggen, gaat wijdbeens zitten op de gladde bank, leunt achterover en haalt diep adem. Minutenlang inhaleert hij de kale ruimte, de foto van het stel in de gang, het bed, de designerstoelen in de keuken. Hij inhaleert een ander leven, totdat hij langzaam zijn schaduw van zich af voelt glijden. Hij denkt aan de hotellobby, de borrel is vast nog bezig. Hij denkt aan het midden van de kring, de plek naast Ricardo Rocco, een leeg zwembad dat hij vullen kan. Hij denkt aan zijn lijf, het voelt aan als het lichaam van iemand anders. Hij besluit te gaan.


Badwater werd gepubliceerd in het verzamelchapbook Dit is echt (Literair Productiehuis Wintertuin, 2016)