De eerste dag

Je liep een weg naar huis. Je nam een andere route dan normaal, het maakte niet uit dat het langer duurde, je had tijd voor een omweg. Je ging door het stadspark, via het abstracte kunstwerk met de blauwe torens, langs de toko waar je vroeger nog weleens verse dadels haalde en je besloot toen een willekeurige zijstraat in te slaan.
Je belandde in een buurt waar alle huizen in felle kleuren waren overgeschilderd. Het deed je denken aan een vriend die landschapsarchitect is en die je ooit vertelde dat omgevingskleuren een blijvend effect kunnen hebben op iemands karakter. Je vroeg je af wat de mensen in deze wijk meer definieerde; de kleur van het huis waar ze in wonen of de kleur van het huis waar ze tegenaan kijken.
Je liep verder.

In de portiek van een oude bioscoop waarvan het onduidelijk was of hij later die dag nog open zou gaan, stond een vrouw met lang blond haar en een neusring in. Ze moest je van ver aan hebben zien komen, je liep al een tijdje rechtdoor. Met twee handen hield ze een boek vast en toen je haar wilde passeren stak ze het boek in de lucht tussen jou en de weg naar huis. Ze knikte je toe alsof jullie bekenden van elkaar waren, vrienden van vrienden die elkaar lang niet hadden gezien. Je was beleefd, hield je pas in en strekte je armen uit.  
Van het boek zag je alleen het voorblad, verder kwam je niet. “Welcome to church” stond er in ranke, rechte letters, daaronder een teken dat je niet begreep, maar wel mooi vond. Ronde vormen die in elkaar grepen, opgestapelde volle manen, je zag er een symbool voor iets zachtaardigs in.
Je keek naar de vrouw, die duidelijk op je wachtte. Haar handen had ze inmiddels diep in haar zakken gestoken alsof ze op het punt stond zichzelf binnenstebuiten te keren, te beginnen bij de zachte puntjes stof van haar broekzak.
‘Breng me hiernaartoe,’ zei je en je wees naar de ruimte tussen het symbool en het woord “church”, een plek waarvan je het sterke gevoel had dat jij die op zou kunnen vullen.
De vrouw knikte opnieuw en liep voor je uit. Ze was te jong voor de vale blouse die ze droeg, te oud voor de rij roze knopjes die de kromming van haar oorschelpen versierden, als lichtjes langs een landingsbaan. Je keek in haar plaats nog even snel naar de portiek, maar de vrouw was niets vergeten. Het enige wat ze bij zich had was het boek en dat droeg jij nu.

Achteraf moet je toegeven dat je uitkeek naar iets heiligs; een majestueuze, eikenhouten poort, zuilen, een gouden hekwerk, imposante beelden, een oprijlaan, kortom, een toegang tot een andere wereld, grootser en verhevener dan jijzelf. In plaats daarvan bracht de vrouw je naar een smal tussengebouwtje, ze opende een stalen deur door een cijfercode in te typen op het toetsenbord onder de bel. 9, 8, 5, 3, een getallenreeks die je soms nog wel eens overvalt bij het intoetsen van je pincode of het opheffen van je schermvergrendeling.  
‘Het is helemaal achterin,’ zei ze, ‘je mag gewoon doorlopen.’
Ze liet je achter in een helverlichte gang met deuren aan weerskanten, sommige stonden open. Langs de plinten en tegen de muur slingerden willekeurige objecten die je tevergeefs met elkaar in verband probeerde te brengen – een zwarte aktetas, een opgeklapte strijkplank, jongleerballen, een groene art-deco-vaas, een wegwerpbarbecue nog in de verpakking. Je herinnert je hoe een lapjeskat vlak voor je voeten de gang overstak. Hij maande je stil te staan, wreef zich op tegen je benen en je huiverde van de aanraking, de warmte die het beest afgaf. Toen de kat een kamer in schoot, wilde je hem achterna lopen, want dat is wat genegenheid met je doet. Het maakt je volgzaam.

De ruimte die je aan het einde van de gang betrad, was aangenaam koel. De stof van je T-shirt plakte aan je oksels en je was je ineens bewust van je kniegewrichten, dat ze er waren en dat ze tegen elkaar aan schuurden toen je een stap naar voren zette. Eén stap, verder durfde je niet. Achter een bureau met drie slordige stapels klappers en papier zat een man met een goedverzorgde baard en de ogen van een kind. Zodra hij je zag schoof hij zijn stoel naar achter en ging staan.  
‘Je bent er,’ zei hij. Zijn warme stem vulde de hele ruimte, resoneerde in je borstkas.
Je knikte.
Je was er. 

In de jaren die volgden leerde je de man aanspreken met allerlei verschillende namen en titels. Pas recentelijk las je in een krant dat hij geboren werd als Bob, een naam die je vreselijk banaal in de oren klonk. Tijdens die eerste ontmoeting stelde hij zich niet voor en hij vroeg ook niet naar jouw naam, hij bekeek je alleen maar en jij liet je bekijken. In je herinnering vallen die eerste minuten samen met avonden in je tienertijd waarop je in bad, het water zo heet mogelijk, je handen langs je lijf liet glijden. Langs je hals, je borst, je zij, met de uiterste puntjes van je vingertoppen langs de binnenkanten van je bovenbenen totdat je niet meer precies kon uitmaken welke huid aanraakte en welke huid aangeraakt werd. Je lichaam was het badwater geworden. 
‘Wat zoek je?’ vroeg de man. Ook zijn adem was vloeibaar, het bracht de blaadjes die schuin in de stapels gestoken waren in beweging. Ze werden voor een kort moment naar beneden gedrukt, veerden omhoog, trilden heel even na.

Je voelde hoe stroomschokjes tegen de binnenkant van je schedel kaatsten, althans, je stelde je voor dat het haastige zoeken er van binnen zo uit moest zien. Je zag je vader en je moeder zoals ze waren voordat je geboren werd, een afgeleide van foto’s: van motorvakanties in Denemarken, een verjaardag, een bruiloft, hun eerste koophuis zoals het was voordat jij er een kamer in kreeg. Je zag een geliefde die bijna van de rand van je herinnering afgevallen was en voelde een sensatie tussen je liezen die je niet positief of negatief kon uitleggen. Je spijkerbroek benauwde je. Je dacht aan de lijst die je ooit probeerde te maken van alle mensen die je kende en dat het totaal je tegenviel.

De plotselinge opeenstapeling van herinneringen maakte je onrustig, je probeerde de gedachten niet te registreren, maar simpelweg aan je voorbij te laten gaan en terwijl je daarmee bezig was, vormden je lippen een woord dat eruit tuimelde voordat je het in je handen gewogen had, klank en betekenis aan elkaar had verbonden.
‘Overgave,’ zei je, en daarna woog je het woord alsnog om vast te stellen dat het voelde als uitademen, als zware oogleden na een periode van slapeloosheid. Je twijfelde of je niet het woord ‘schuld’ bedoelde, het dragen of het wegnemen ervan. Misschien had je ‘vergeving’ moeten zeggen.
‘Om je ergens aan over te kunnen geven moet je eerst kunnen geloven,’  zei de man na een korte stilte. Aan een zilveren kettinkje om zijn nek hing een parel zo groot als een erwt, het zat verstopt in het borsthaar dat boven zijn T-shirt uitstak.
‘Geloof je ergens in?’

Je voelde nu ook stroomschokjes in je oksels, onder je voetzolen en tussen je vingerkootjes. Je dacht aan de vakantiefoto’s die je ieder jaar aan het einde van de zomer op de keukentafel sorteerde. Die van jezelf, of andere mensen, of jezelf met andere mensen haalde je eruit. Je deed ze in lijsten of plakte ze met gom op de deuren van je keukenkastjes. De rest – landschappen, zeezichten, gebouwen – borg je altijd weer op in de mapjes. Zo lagen er misschien wel honderd kerken van over de hele wereld opgestapeld in de la van het dressoir op de overloop. Je fotografeerde ze, maar ging er zelden binnen, misschien omdat je net als nu niet zeker wist wat je er te zoeken had.
‘Ik denk niet dat ik geloof, nee,’ antwoordde je, ‘niet in een God, in elk geval.’
De man hield zijn hoofd schuin, zo ver dat je bang was dat hij zijn nekwervels zou beschadigen en je was er direct van overtuigd dat je het verkeerde antwoord had gegeven, maar hij zei niets. In plaats daarvan hees hij zich uit zijn stoel, beide handen steunend op de leuningen. Langzaam boog hij zich voorover, zijn bovenlichaam steeds een stukje verder over het tafelblad tot hij zo dichtbij was dat je de kronkels en verkleuringen in zijn irissen kon zien.
‘Dat is goed,’ zei hij glimlachend, ‘het is goed.’ Hij strekte zijn armen uit en greep je bij de schouders, en het voelde als het enige mogelijke vervolg, een aanraking.
Je voelde dat er iets verschoof. Er zaten draaikolken in je bloed, energie balde zich samen in de ruimte tussen je ribben. Iets in jou zong zich los, raakte op drift, iets opende zich. Je dacht gezang te horen, flinterdunne stemmen die zoemden en bromden en aanzwollen naarmate zijn zwijgen langer duurde.
Zo waren jullie een tijdje met elkaar verbonden. Je voelde geen stroom meer, alleen nog stromend water, de blaadjes bewogen op het ritme van zijn ademhaling.

Dit moment herinner je je het scherpst. Niet de lichamelijke sensatie, maar de manier hoe de man naar je keek terwijl hij je vasthield. Later las je die eerste ontmoeting terug in zijn woorden, zijn vinnige handschrift, want ook jij werd een tabblad in een van de klappers, een stapeltje papier in een ontzagwekkende administratie van mensenlevens. Wat hij beschreef was een pijnlijk accurate schets van je kleinste onzekerheden, je tere skelet. Hij had je doorzien, je uitgekleed tot de zwakste versie van jezelf en toen de man zich terugtrok vroeg je je af wat die aanraking nou precies betekend had. Of hij je iets had gegeven, of had ontnomen.
Dit is het laatste beeld in de reeks die zich steeds weer aandient, zich keer op keer herhaalt, alsof je hersenen zijn gereduceerd tot die ene herinnering. Je ziet jezelf zitten en weet dat je je toen nog niet kon voorstellen hoeveel mensen er voor nodig waren om je te redden van de man met de kinderogen, van het idee dat hij jouw redding was, het idee dat je ergens van gered moest worden. En ondanks het bijtende schuldgevoel verlang je naar hem terug. Naar die warme handen op je schouders, naar een moment van overgave dat je later nooit meer zo krachtig ervaarde als toen. Je weet dat dat de eigenlijke reden is waarom je die eerste dag zo hardnekkig blijft herbeleven, maar je vraagt je af of het ooit minder wordt. Zoals je je ook nog steeds afvraagt waarom je die dag toch koos voor een omweg, in plaats van een rechte lijn naar huis.


De eerste dag werd gepubliceerd in literair tijdschrift Tirade #466