De rotonde

MISTY

Omdat ze zich niet zo lekker voelt, heeft Misty vanavond alleen nog maar Spa Rood besteld.
‘Beetje benauwd’ zegt ze tegen Alyssa en Bianca die, zoals iedere eerste vrijdag van de maand, de twee barkrukken rechts van haar bezetten. Ze wijst naar buiten, maar nog voordat ze de beweging helemaal heeft afgemaakt, keren de twee vrouwen hun hoofd alweer richting de dansvloer die gedomineerd wordt door twintigers in catsuits en met strassstenen versierde bikini’s. De afkeuring druipt van hun gezicht. Het drietal brengt hun avond meestal door met het zo venijnig mogelijk neersabelen van de jongere generatie, maar vanavond heeft Misty geen zin om mee te doen.
Omdat het miezert, gaat Misty in haar zilverkleurige Mazda zitten met de deur open. Het logge beest dat op haar borst is gaan zitten wordt door de frisse buitenlucht niet verjaagd. Het voelt alsof ze een overhemd aanheeft waarvan de boord steeds strakker getrokken wordt. De benauwdheid werkt alarmerend. Haar zintuigen staan op scherp voor naderend gevaar, al heeft Misty geen enkel idee wat haar zou kunnen besluipen. Vooralsnog heeft ze vooral last van de geur die wordt afgegeven door een roze bal die met een gouden draadje aan de achteruitkijkspiegel is bevestigd. Niemand gevoeliger voor kassakoopjes dan Alies. Van de zoete kauwgomballengeur die het kogeltje verspreidt wordt Misty zo misselijk dat ze het ding het liefst uit het raam zou gooien, richting de bosjes die het einde van de parkeerplaats en het begin van een beschutte afwerkplek markeren. Misty is daar één keer geweest, meer uit nieuwsgierigheid dan uit behoefte, en het idee dat iets wat door Alies’ vingers is gegaan daar terecht zou komen maakt haar misselijker dan de geur van het balletje zelf. Ze haalt het touwtje los en stopt de luchtverfrisser voorzichtig in het dashboardkastje. Niet vergeten terug te hangen zo.  

Het is te vroeg om naar huis te gaan. Nooit voor twaalven, dan ligt Alies nog niet in bed. Ze moet terug op haar plek gaan zitten en de avond in al zijn voorspelbaarheid aan zich voorbij laten trekken. Maar als Misty door het raam van de bar naar binnen kijkt, ziet ze hoe Alyssa’s handen in Bianca’s haren verdwijnen, hun hoofden zo dicht bij elkaar dat ze nauwelijks nog van elkaar te onderscheiden zijn. Op Misty’s barkruk staat ineens een tas.
Ze besluit te gaan rijden. Ze zal niet worden gemist, de vriendschap is zo vanzelfsprekend dat Misty’s fysieke aanwezigheid er niet voor nodig is, volgende maand zitten ze er gewoon weer met zijn drieën. Ze start de auto. Haar koplampen beschijnen de rommelige struiken waarachter van alles beweegt, al kun je dat vanaf hier niet zien. Ze zal omwegen nemen, net zolang totdat het twaalf uur is.


ANDREA

Het nieuwe appartement van Andrea kijkt uit op een mistroostige rotonde met in het midden een gigantisch, koperkleurig paard. Iemand heeft met witte verf Fuck the police op zijn gespierde bovenbeen geschreven, maar van haar dochter mag Andrea daar niet om lachen.
Ze kijkt graag naar buiten, omdat daar nog wel eens traag een auto voorbij wil schuiven. Binnen beweegt er niets. Haar dochter besloot dat er weinig spullen meekonden naar het appartement en besloot bovendien waar die weinige spullen kwamen te staan. Ook vanavond ligt Andrea’s woonkamer erbij als het kraterige maanlandschap waarvan complotdenkers betwijfelen of er echt ooit mensenvoeten overheen hebben gewandeld. Aan de keuzes van haar dochter heeft Andrea weinig veranderd. Haar hoofd wil nog wel, maar haar lichaam, de stramme vingers en knieën, de moeilijke heup, niet meer. Ze legt zich er iedere dag opnieuw bij neer dat er alleen nog maar iets afgaat.   

De auto die met een harde klap tegen het linker achterbeen van het paard aan eindigt, komt met zo’n hoge snelheid Andrea’s blikveld ingereden dat ze kort twijfelt of ze hallucineert. Op de klap volgt een stilte die van een ander soort is dan voorheen. De straat is grijs en uitgestorven, de miezerregen maakt Andrea’s blikveld wazig, alsof iemand vershoudfolie over een nog niet afgekoelde ovenschaal heeft gespannen, het plastic zo beslagen dat de inhoud niet meer te definiëren is.
Na enkele seconden kan ze de kleine auto scherp zien. Fonkelend zilver precies onder de enige lantaarnpaal op de rotonde. Een perfect geplaatste deus ex machina. De achterbank is een groot gapend gat, enkel de bestuurdersstoel lijkt bezet, maar Andrea ziet niets meer dan het lange, blonde haar dat door de klap over het stuur terecht gekomen is.  
Zittend in haar leesstoel, voorovergebogen richting raam, overvalt Andrea de wens om met het lichaam in de auto van plek te verruilen. Niet omdat ze zichzelf zo graag te pletter wil rijden – juist haar teveel aan levenslust maakt de dagen zo onaanvaardbaar saai en leeg – maar om herboren te worden als en jonge vrouw met lang blond haar, gevonden in een uiterst schattig autootje op het midden van een rotonde. Ze ziet zichzelf naar buiten lopen, miezer op haar gestreepte pantalon, en de auto ingezogen worden door een kracht die alleen complotdenkers voor waarheid kunnen houden. Maar als ze opstaat om haar plan ten uitvoer te brengen, voelt ze in alle vezels van haar lichaam de onomkeerbare ouderdom. Andrea weet dat haar plotselinge geestdrift vervlogen zal zijn voor ze al schuifelend de rotonde heeft bereikt. Ze belt 112, en blijft binnen.


ALIES

De deur van kamer 271 staat een stukje open. Iemand heeft een lange, blonde pruik met zorg over een stoel heen gehangen. Thuis zag Alies het haarstuk één keer eerder, de natte slierten tussen de stangen van de radiator gepropt, als geknakte spinnenpoten. Wanneer ze de deur wat verder openduwt ziet ze over een andere stoel de rode paillettenjurk die ze vorig jaar aanhad op een sixties-themafeest. Een meter verder, op een kleine, stalen tafel, staat de lakleren handtas die ze nog niet zo lang geleden in een opwelling kocht op de markt, maar bij thuiskomst toch te hoerig vond. Door de herkenbaarheid van de objecten acht Alies het ineens waarschijnlijk dat ze bij binnenkomst zichzelf in het ziekenhuisbed aantreft. Als een droom waarin geest en lichaam twee losse entiteiten zijn, en daardoor in staat per ongeluk tegen elkaar op te botsen. Maar de receptioniste zei haar nors en kortaf dat haar echtgenoot in 271 ligt, geen enkele reden haar niet te geloven.   

Een vermoeden kun je vergeten. Zolang je het niet uitspreekt, bestaat nieuwsgierigheid alleen in je onderbuik, waar het zachtjes tegen je buikwand op klotst, zich soms omhoog probeert te werken. Vegen foundation in de wasbak kun je wegwassen, net als lippenstift op de kraag van een jas. De geur van aceton wanneer hij naast je in bed schuift kun je laten vervliegen als je maar lang genoeg wacht. Zo blijft alles in balans.

Wanneer ze de kamer binnenstapt ziet Alies onmiddellijk dat iemand zijn gezicht heeft schoongemaakt. Boven zijn linker wenkbrauw zit een diepe snee met flink wat hechtingen, maar de apparaten piepen rustig en kalm, hij slaapt. De teleurstelling trekt aan Alies’ onderlijf als een venijnige onderstroom, boven haar navel vult haar borstkas zich tegelijkertijd met opluchting. Ze stelt zich voor hoe fijne vingers nepwimpers van zijn oogleden trekken, een doekje met ontsmettingsmiddel zachtjes over voorhoofd en wangen halen om het geronnen bloed, maar daarmee ook de blush en oogschaduw weg te wrijven.
Alies haalt de pruik van de stoel en loopt naar het bed. Ze krijgt hem staand niet over zijn achterhoofd gespannen, dus vlijt ze zich naast hem in het krappe ziekenhuisbed. Zijn hoofd is zwaar, met moeite krijgt Alies het blonde haar op zijn plek. Ze strijkt wat plukken achter zijn oren, legt de pony recht op zijn voorhoofd en kijkt naar hem, zonder iets nieuws te herkennen, zonder iets ouds te verafschuwen. Hij is er nog, precies zoals hij er altijd was.
Ze gaat met haar vinger over de wond op zijn voorhoofd, streelt zijn arm, laat haar hand rusten op zijn borst. De spullen zal ze straks mee naar huis nemen. De jurk en de tas terug in de kast, de pruik tussen de stangen van de radiator waar ze hem eerder per ongeluk vond en waarvandaan hij toen ook weer verdween. Zo zal het nu ook gebeuren. Daarvan is ze overtuigd.  

De rotonde werd geschreven in opdracht van literair tijdschrift DW B.