Nu ligt alleen zijn hond er nog


Vivre, c'est passer d'un espace à un autre en essayant le plus possible de ne pas se cogner
- Georges Perec
 

Er is geen spiegel in Parijs waarin ik mezelf niet bekijk. Geen winkel- of kantoorraam, geen bushokje, geen waterplas waarin ik niet even, al is het alleen maar in het voorbij lopen, een blik werp op mijn eigen reflectie. Gewoon om te weten dat ik er nog ben. Dat er een fysiek bestaat naast dat hoofd, waarin het hele leven zich tijdens mijn wandelingen probeert samen te persen.      
Het is een ritueel. Telkens wanneer ik kijk, weet ik dat dat hoofd het eerste zal zijn wat me opvalt: hoe het een klein beetje scheef op mijn nek staat. Het neigt naar voren, alsof iemand tegen me fluistert en ik onopvallend moeite doe te horen wat diegene zegt. Om het hellende gewicht te kunnen ondersteunen, staan ook mijn schouders vreemd gekromd en zo zie ik in iedere weerspiegeling de kiem van een oude, gebochelde vrouw.
Dat is Marcs schuld. Marc schoot me te hulp toen ik een aantal dagen geleden midden op een druk kruispunt besefte dat ik verdwaald was. Het uur daarna leidde hij me enthousiast rond. Langs een aantal art deco-huizen, de Passage des Eaux en het geboortehuis van Honoré de Balzac – een smalle bungalow die ooit twee ingangen had, waardoor de grote, Franse schrijver jarenlang als een laf molletje zijn schuldeisers ontvluchtte. Vlak voordat Marc me afzette bij metrostation Balard trok hij midden op straat ineens zachtjes mijn schouders naar achter. Met een aaitje over mijn voorhoofd dwong hij mijn bovenlichaam rechtop.
‘Tension,’ zei hij, ‘it tells a lot about people.’
Zijn aanraking was warm, liefdevol bijna. Ik schrok van die handen ineens zo dichtbij.
‘What does this tension tell you?’ vroeg ik voorzichtig.
Hij bekeek me uitvoerig, zag hoe ik stijf en onwennig mijn schouders en hoofd rechtop probeerde te houden, alsof ik me klaarmaakte voor een staatsieportret. Hij glimlachte kalm.
‘It tells me that you’re not proud.’

matrassen 1.jpg

Sinds het uur dat ik met Marc doorbracht, overvalt me iedere dag de angst dat ik zomaar eens zou kunnen verdwijnen. Het trekt in mijn botten als een vreemde, nieuwe ziekte, voelt als een warme gloed in mijn steenharde kuiten: de gedachte dat ik al uren niemand aangeraakt heb. Op de drukke knooppunten die ik tegenkom, de metrostations, de winkelcentra, kan ik me niet onttrekken aan mijn reflex ieder lichaam te ontwijken en terwijl ik dat doe, ben ik me ervan bewust dat die moeite eenrichtingsverkeer is: niemand wijkt voor mij. Mijn lichaam is anders dan het asfalt, de bomen langs de kant van de weg, de bushokjes, de hoge huizen met de Franse balkons. Mijn lichaam heeft iets lichts, iets transparants. Er kan doorheen geworsteld worden, het kan vernietigd worden.

matrassen 2.jpg

 

Er zijn honderden lichamen in deze stad die al maanden niet meer aangeraakt zijn. Honderden armen, benen, handpalmen, navels, hoofden met haar. Wie niet uitkijkt, struikelt erover: een paar benen in een versleten spijkerbroek, afgetrapte bergschoenen aan de voeten. Ze steken uit een portiek, als het verlengde van de deurpost, een oneffenheid in de straatklinkers. Een afgedragen paar babyschoentjes is keurig naast elkaar bij een prullenbak gezet.
Op bankjes midden in de stad zijn mensen bezig met verdwijnen. Lopend over het zebrapad, schreeuwend, broek op de enkels, is iemand zich van zijn eigen lichaam aan het ontdoen. Aan de achterkant van een krantenkiosk worden drie lijven traag uit hun menselijkheid ontheven tussen boodschappenwagentjes en plastic zakken, een verweerde buggy die dagen in de regen moet hebben gestaan. Er staat een kartonnen bordje voor waar met zwarte marker FAMILLE SYRIENNE op is geschreven, zodat de mensen die voorbij lopen weten waar ze naar kijken. Als in een museum.

Wat overblijft na het verdwijnen, zijn de matrassen. Ze liggen overal in de stad, verstopt achter elektriciteitshuisjes, in de luwte van een brug, openlijk op straat tegen een bloemenperkje aangeleund. Ze zuigen zich vol met regenwater, ze worden opgetild en een paar straten verplaatst, er wordt tegenaan gepist en overheen gekotst. Marc vertelde over een luchtrooster boven de metro tussen Passy en Boissière, waar jarenlang dezelfde man op lag te slapen. Nu ligt alleen zijn hond er nog.

 Tristan Eaton "Uprise", Paris 2017

Tristan Eaton "Uprise", Paris 2017

Op de Avenue de France wordt een vrouw gearresteerd omdat ze ongelukkig is. Ik zie hoe de agent haar met haar handen op haar rug tegen het raam van een galerie aanduwt. De veelkleurige doek die de vrouw losjes om haar hoofd heeft geslagen glijdt daardoor een stuk naar achter. Er verschijnt dik, koffiekleurig haar in een strakke middenscheiding. Met een korte armbeweging, een reflex die de agent zelf ook verbaast, trekt hij het stuk stof terug op zijn plek. Het is hem onduidelijk of de hoofddoek religieus is, of tegen de miezerregen, maar hij wil de vrouw niet meer vernederen dan nodig is. Ze mag ongelukkig zijn, maar het mag gewoon niet hier.
Wanneer ik me los wil maken van de groep toeschouwers die zich rond de arrestatie verzameld heeft, duwt een jongen met een pizzadoos in mijn rug. Dépêche-toi, dépêche-toi, sist hij in mijn oor. Ik draai me om, maar hij wijkt niet terug. Hij duwt de pizzadoos zelfs harder in mijn buik, kijkt me niet aan terwijl hij dat doet en ik denk: in deze stad is het makkelijk door niemand te worden gemist. Een lichaam te zijn waar niet naar wordt verlangd. Gedachten te hebben die ongehoord blijven. In deze stad verdwijn je makkelijker dan dat je wordt opgemerkt.

 Victor Enrich collage

Victor Enrich collage

Ik fotografeer een verregend jasje aan de spijlen van een garagehek dat ooit van iemands geliefde moet zijn geweest. Tientallen peuken onder het raam van Restaurant Libanon waar iedere avond dezelfde bloedmooie vrouw de stoelen op tafel zet. Vier blokken cement verzonken in anderskleurig asfalt, ooit stonden daar de guillotines.
‘Het Japans heeft daar een woord voor,’ zei Marc, ‘Saba. Het vertaalt zich letterlijk als roest, maar betekent eigenlijk: dat wat de tijd aan sporen achterlaat.’
De koperen wijwaterschaal in de Notre-Dame is glad omdat er duizenden handen overheen gegleden zijn. De trappen naar Montmartre buigen door in het midden. Er zijn stangen in de metro die onheilspellend kleven, andere zijn tot een onberispelijke glans opgewreven. Overal erosie. Oxidatie die je door alle tijdlagen heen katapulteert, die herinneringen activeert. Je eigen, of die van anderen.

 Elsa Bleda, The Overlook Hotel III, 2016

Elsa Bleda, The Overlook Hotel III, 2016

In een krappe hotelkamer vouwt een man zijn kleren op voordat hij naakt naast het meisje gaat liggen. Ze heeft net voor hem gedanst in de smalle ruimte tussen het bed en het raamkozijn. Haar eigen kleren trok ze langzaam en onhandig uit. Ze sloeg haar ogen neer en keek op zoals ze dacht dat hij dat opwindend vond. Echt goed inschatten kon ze dat niet. Ze ziet hem niet vaak genoeg om te weten wat die schuine frons in zijn voorhoofd betekent: begeerte of ongeduld.
Het tapijt kietelde aan haar voetzolen. Ze kijkt naar de ruwe haren die platgedrukt zijn op de plek waar ze net nog stond, haar billen draaiend, haar handen traag langs het kippenvel op haar bovenbenen, de donshaartjes onder haar navel. Nu voelt ze zijn handen op al die plekken. Ze eindigen op haar heupen, hij omklemt ze strak, alsof hij zijn vingers op haar botten wil breken, ze telt de stoten.
'Tu m’excites, ma belle.’
Zijn handen zijn hoger nu, reiken naar haar schouders. Ze voelt hoe zijn knieën dieper in het matras verzinken, de stoten krachtiger worden.
‘Tu m’as manqué. Tu m’as manqué. Tu m’as manqué.’
Niet ik miste je, nee, je mankeerde me. 

 The Big Short, 2015

The Big Short, 2015

Toen Marc in de metrotunnel verdwenen was, zag ik een man over de tramlijn liggen. Hij was goed gekleed. Een donkergrijs pak met een zwarte coltrui eronder, aan iedere voet een nette sok en een glimmende bruine schoen met solide veters. De linker broekspijp werd door een ijzeren ring platgedrukt tegen zijn kuit.
Tussen de benen van de man een kleine stadsfiets. Het voorwiel bevond zich hoger, op de stoep. De man lag gekromd, als een half maantje – hij was niet dood, hij praatte zachtjes voor zich uit met zijn ogen dicht. Hij was ook niet zichtbaar gewond, er was geen bloed, geen ledemaat in een vreemde houding, hij lag daar gewoon. Alsof hij midden op de dag besloten had niets anders te willen.
Mensen liepen langs en om hem heen. Een Golden Retriever snuffelde aan zijn voeten en werd weggetrokken, een vader en een zoon gingen een paar meter bij hem vandaan staan. Ze wachtten op de bus en zeiden niets. Toen het zoontje zich omdraaide om naar de man te kijken, legde zijn vader zijn hand zachtjes op de wang van het kind, draaide het hoofd terug en telde het kleingeld in zijn andere hand met zijn ogen. Alsof hij wilde zeggen: deze man bestaat alleen als wij ernaar kijken. Alsof hij wilde zeggen: zolang wij nog op beide benen staan, valt hier niets te zien.


Nu ligt alleen zijn hond er nog werd gepubliceerd in tijdschrift voor literatuur en kunst Oogst Magazine #12

Deze tekst kwam tot stand in het kader van een residentieproject van het Vlaams-Nederlands Huis deBuren in samenwerking met de stichting Biermans-Lapôtre.